Dit is geen dagboek, eerder een verzameling korte schetsen, geschreven vanaf 2022. Voor sommigen werd dat jaar een breekpunt; voor anderen is 2022 tot op de dag van vandaag nog niet voorbij. We zijn over de hele wereld verstrooid geraakt, uiteengewaaid als de pluisen van een paardenbloem in een plotselinge windvlaag. Vrienden, familie, bekenden, voormalige collega’s — vroeger waren het verschillende adressen, vandaag zijn het verschillende landen.
We bewaren jullie nieuwe telefoonnummers, maar doen geen moeite om jullie nieuwe adressen te onthouden, omdat ze morgen alweer kunnen veranderen. En zo gaat het al vier jaar. Het tijdelijke is permanent geworden. We hebben geleerd niets te verwachten, met een minimum aan spullen te leven en geen plannen te maken. We praten even weinig over het verleden als dat we bang zijn om aan de toekomst te denken. Het leven lijkt op pauze gezet. We staan onszelf niet toe om voluit te leven en voelen ons als gasten op het feest van andermans leven.
Angst, onzekerheid en schuldgevoel — dat zijn onze dagelijkse metgezellen. Het zijn zware gevoelens, en iedereen gaat er op zijn eigen manier mee om. Sommigen gaan gewoon door, zich aanpassend aan de omstandigheden. Anderen zoeken felle indrukken, of werken zichzelf uitputtend af om maar niet te hoeven denken. Weer anderen zijn daar gebleven, in dat vorige leven, en proberen het nu voort te zetten — wat vaak alleen maar tot meer teleurstelling leidt.
We beleven onze gedeelde pijn ieder op onze eigen manier: sommigen hebben al de helft van Europa doorkruist, terwijl anderen hun koffers nog steeds niet hebben uitgepakt en hun simkaart niet hebben vervangen door een lokale.
De afgelopen vier jaar heb ik geleerd opnieuw te leven — in nieuwe omstandigheden, met nieuwe mensen om me heen. Het is een leven tussen verleden en toekomst, waarin alle gevoelens aanwezig waren, behalve één: het gevoel van thuis zijn. In deze twaalf korte verhalen heb ik fragmenten verzameld van de meest levendige herinneringen aan deze tijd, herinneringen die ik wil bewaren. Het is het dagboek van mijn geheugen.
En als je na het lezen besluit dat het in jouw leven misschien toch niet zo slecht gaat, als je even glimlacht en met hernieuwde kracht verdergaat om jouw leven te leven — dan is dat de hoogste waardering voor mijn twijfelachtige schrijverschap.
WINTER (2022)
DECEMBER
Dit was onze eerste kerst in Nederland. De aanhoudende regen en de stormachtige wind waren toen nog geen vertrouwd verschijnsel; ze versterkten juist onze onrust en melancholie. We wonen in een klein huisje op een camping, met een gaskachel. Ik versier die met kaarsen en kerstfiguurtjes. Het is de enige plek die warmte en geborgenheid brengt in ons nieuwe huis.
Ooit, in een ander leven, droomden we ervan om de kerstvakantie in Europa door te brengen. Dromen komen uit — en nu zijn we hier: gebroken en verdwaald, maar levend en relatief gezond.
Ik vul mijn dagen met werk en nieuwe taken. Ik leer Nederlands, help anderen als vrijwilliger. Naar buiten toe toon ik vertrouwen en optimisme — mijn gezin leunt op mijn energie. Mijn zoon volgt les op een integratieschool; de aanpassing valt hem zwaar. We hebben nog nooit met hem gesproken over wat we hebben meegemaakt: over de panische angst tijdens de beschietingen, over de maand die we in de kelder doorbrachten. Dat gesprek komt later.
Nu vinden we geluk in kleine dingen: in de stilte, het zingen van vogels, in langzame wandelingen door het park. We proberen nieuw eten, leren het land kennen en bouwen nieuwe tradities op — elke zaterdag gaan we naar de markt voor haring en kibbeling.
Mijn man kampt met een ernstige posttraumatische stressstoornis. Dat laat sporen na in zijn gezondheid, vooral in zijn benen. In deze toestand bereiden we ons voor op onze eerste jaarwisseling in Nederland.
Oudjaarsavond is de meest magische nacht van het jaar. Een bescheiden familiediner, cadeaus, een traditioneel glas champagne om middernacht — en één wens, voor ons allemaal. Dan begint het vuurwerk. Dit keer gingen we niet kijken; we wachtten slechts tot het voorbij was. De herinneringen waren nog te vers, en de knallen riepen paniek op.
We omhelsden elkaar, wensten elkaar een gelukkig nieuwjaar en gingen slapen. Vroeg in de ochtend hoorden we onder de deur een zacht gejammer. Zodra ik opende om te kijken wat het was, rende een bange en hongerige kat ons huis binnen. Het was een schone, goed verzorgde kat — duidelijk een huiskat. Hij was geschrokken van het vuurwerk, verdwaald geraakt en bij ons terechtgekomen om hulp te zoeken.
Natuurlijk lieten we hem binnen en gaven we hem te eten. Hij was verkleumd en had dorst. Opgewarmd bij de kachel begon hij te spinnen, alsof hij zijn verhaal vertelde, alsof hij wilde delen hoe bang hij was geweest. Daarna ging hij aan de voeten van mijn man liggen en viel in slaap.
Wat bracht deze kat ons veel vreugde. Hij bleef twee weken bij ons — het werden de gelukkigste nieuwjaarsdagen. Later zag ik een bericht over een vermiste kat, en we brachten hem terug naar zijn baasjes. Zonder hem voelde het huis leeg.
Maar het voelde als een teken. Juist deze kat kwam naar ons toe, leefde twee weken met ons, bracht lichtheid, lachen en warmte terug — en, wonder boven wonder, mijn man begon te herstellen.
Op een dag, ooit, zullen we een huis hebben. En daarin zal zeker een kat wonen.