Ik gun mezelf kleine genoegens, probeer iets nieuws. Dat geeft me de kracht om verder te gaan en de vermoeidheid niet te voelen, ook al werk ik tien uur per dag.
’s Avonds help ik mijn zoon met zijn huiswerk. Nu moet hij alles op alles zetten om volgend jaar te kunnen beginnen op de reguliere Nederlandse school die hij zelf heeft gekozen. Ik laat hem niet verslappen, vraag discipline en inzet. Dat werpt zijn vruchten af — hij is tevreden over zijn vooruitgang, die hem dichter bij zijn doel brengt. Maar het wordt steeds moeilijker om elkaar echt te verstaan: mijn zoon komt in de puberteit. En ik ben bang om te veel druk uit te oefenen, om het contact te verliezen. Voor hem is het werkelijk zwaar — zwaarder dan voor mij. Het enige wat ik kan doen, is nabij blijven, steunen en aanvaarden zonder oordeel. Dat is niet eenvoudig, maar ik probeer het.
Ik ben vaak op school en spreek met andere moeders over hoe hun kinderen onder huidige omstandigheden omgaan met de puberteitscrisis. Eén verhaal raakte me diep. Ik wachtte tot de lessen voorbij waren om met de docent de resultaten van mijn zoon te bespreken. In de gang zat nog een vrouw — ze zag er volkomen verloren uit. Ze vroeg me of ik haar kon helpen tijdens het gesprek met de docent, omdat ze geen Engels spreekt. Ik kon haar niet helpen — dat is niet toegestaan. Toen ze mijn weigering hoorde, begon ze te huilen.
Ze vertelde dat ze in maart 2022 waren gevlucht en dat haar zoon binnenkort zestien zou worden. Dat hij haar mijdt, met haar nergens over wil praten en eigenlijk niets meer wil — behalve naar huis terugkeren. Ze zijn nu bijna een jaar in Nederland, en ze begrijpt totaal niet wat ze moet doen en hoe ze verder moet leven.
Op dat moment kwam haar zoon naar haar toe — een knappe jonge man, lang en breedgeschouderd, met verdrietige, kinderlijke ogen. Hij hielp haar overeind en herhaalde steeds: ‘Mama, huil niet, hou op. We moeten nu met de docent praten. En daarna nog boodschappen doen.’ Hij was zichtbaar verlegen, wilde zo snel mogelijk weg… en hij schaamde zich voor zijn moeder. Dat was pijnlijk duidelijk. Ik voelde oprecht medelijden met hen allebei. Ik weet niet wat er daarna met hen is gebeurd.
Maar één ding weet ik zeker: voor onze pubers is het nu veel moeilijker dan voor ons. Ze hebben geen vrienden, kunnen niet vrij met leeftijdsgenoten praten, zijn hun vertrouwde, veilige omgeving kwijtgeraakt. Ze weten wat oorlog is en wat het betekent om dierbaren te verliezen. De meest tedere en romantische periode van hun leven lijkt eerder op een psychologische thriller. Ze zoeken redding in vriendschappen met virtuele vrienden en in computerspellen, keren zich in zichzelf en lijden eindeloos, omdat er niemand is om op te steunen. Ze worden grof en afstandelijk, terwijl er vanbinnen een kreet klinkt: Mama, ik ben bang. En het is goed als de moeder dichtbij is en die kreet hoort.
Op dat moment voelde ik fysiek het gewicht van de verantwoordelijkheid voor mijn kind. Ik heb geen recht om op te geven. Ik mag mijn handen niet laten zakken, hoe moeilijk het ook is.
Het gesprek met de docent verliep goed. Mijn zoon kon de stof aan, en de kans om toegelaten te worden tot het lyceum werd reëel.