Eén keer per week ga ik naar Utrecht voor de bijeenkomsten van vrijwilligers op de integratieschool. Mijn zoon zal die school binnenkort afronden en naar een gewone Nederlandse school gaan. Intussen leer ik ouders uit verschillende landen kennen en luister ik naar hun ervaringen met het leven in Nederland. De meesten van hen zijn vluchtelingen; velen kennen oorlog uit eigen ervaring. We praten niet graag over verlies en verdriet, maar des te meer over het dagelijks leven in een nieuw land.
Op een dag bespraken we uitstapjes voor de kinderen en ineens besefte ik wie er eigenlijk aan één tafel zaten: Japan, Brazilië, Palestina, Korea, Afghanistan, Oekraïne, Soedan, Duitsland, Nederland, Portugal, Servië, Turkije, China. Educatieve, interessante mensen — ieder met zijn eigen verhaal. Ik word omringd door verschillende culturen, tradities en manieren van kijken naar de wereld. En juist daardoor mag ik die wereld even door hun ogen zien. Een wonderlijk gevoel: het besef dat onze wereld tegelijk immens groot en ongelooflijk klein is. Dat inzicht inspireert mij, het vergroot mijn honger naar kennis. Ik verdiep me in de geschiedenis van West-Europa en in middeleeuwse schilderkunst. Deze nieuwe lucht vult mij, geeft me kracht en verzacht even de zwaarte van onze situatie.
Toch lees ik nog steeds elke dag het nieuws — en elke keer ben ik bang te ontdekken dat mijn huis is verwoest. Een jaar geleden deed ik de deur dicht en nam ik afscheid, voorgoed. Daar zijn zoveel dierbare dingen achtergebleven: boeken, souvenirs van onze reizen, foto’s, kindertekeningen, een warme plaid, mijn verzameling kooktijdschriften. Ik heb mezelf verboden erom te huilen of er spijt van te hebben. Ik werk veel, ik lees veel, ik blijf positief en actief, ik leer de taal — en ik vertel mezelf dat alles nog voor me ligt.
Maar toen we het eerste pakket uit onze thuisstad kregen, met daarin de plaid van mijn zoon, kreeg ik een paniekaanval. Alle onverwerkte pijn drukte me letterlijk de keel dicht. Het waren onze nieuwe Nederlandse vrienden die me hielpen dat te doorstaan. Een lief ouder echtpaar, gelukkige grootouders van zes kleinkinderen. Mevrouw A. V. werd voor mij meer dan een vriendin. Ze voelde me aan als een naaste. Vanaf het eerste moment wist zij dat er een dag zou komen waarop ik mijn weggestopte pijn zou moeten loslaten, uitspreken en uit huilen. En op het moeilijkste moment was ze er. Ik sprak en huilde. Zij luisterde en nam het aan. Wanneer mensen vanuit hun hart spreken, bestaat er geen taalbarrière.
Mijn lieve A., jij kent mijn geheimen en mijn kwetsbare plekken. Jij was er toen het zwaar was. Jij verheugt je over mijn kleine overwinningen. Jij hebt een bijzondere plaats in mijn hart, in mijn herinneringen — en in dit dagboek. Ik ben gelukkig dat ik jou mijn vriendin mag noemen.