Buren praten levendig, bespreken het nieuws, maken plannen voor het weekend en voor vakanties. Een lievfdevolle, betoverende tijd: de een staat te barbecueën, de ander werkt in de bloembedden, de lucht is gevuld met leven en kindergelach.
We wonen pas drie jaar op deze camping, maar het voelt alsof we hier al een heel leven zijn. Dit nieuwe leven wordt geleefd door mensen die ooit zijn gestorven en opnieuw zijn geboren. Zo voel ik me zelf. Op warme avonden, terwijl ik naar de sterren kijk, denk ik vaak aan hoe ingrijpend mijn leven is veranderd. We plannen niets meer, we kiezen niet en we controleren niet — we passen ons aan de omstandigheden aan, die ons worden geboden. We waarderen het leven, genieten van de zon en van een rustige hemel, leren nieuwe beroepen, vinden nieuwe vrienden. We leven en leven niet tegelijk: we zijn in het moment, en kijken voorzichtig vooruit, een mistige toekomst in.
En toch wachten we diep van binnen, en hopen we oprecht op een betere toekomst voor onze kinderen — een toekomst waarvoor we bereid zijn te betalen met ons zware fysieke werk. Deze eenvoudige gedachten vormen de basis van onze rustige gesprekken met de buren. We praten, we huilen, we lachen — zo leven we.
Aan de boskant van de camping woont een eenzame man van ongeveer vijfenzestig jaar. Hij ziet er ouder uit: gebogen, gesloten, met een grauw, aardachtig gezicht. Ik zie hem vaak in de wasserette. We groeten elkaar, hij glimlacht nooit en rookt veel. Hij kwam hier alleen aan. Waarschijnlijk stapte hij, toen hij het oorlogsgebied ontvluchtte, ergens in Polen of Roemenië in de eerstvolgende evacuatiebus die hem naar Nederland bracht. Hij raakte zijn familie in een paar dagen kwijt; zijn broer vertrok met zijn gezin naar Spanje en bleef daar. De onzekere tijd heeft hen over verschillende landen verspreid.
De man was ernstig ziek. Hij wist dat. Hij begreep dat hij niet lang meer te leven had en zijn grootste wens was om in zijn geboorteland begraven te worden. Die wens hield hem overeind. Tot zijn laatste dagen werkte hij en spaarde hij geld voor zijn laatste reis. Hij stierf ’s avonds, tijdens het eten. De volgende ochtend merkten buren dat het licht in zijn huis nog brandde en waarschuwden de beveiliging.
Een week voor zijn dood had hij gesproken met de maatschappelijk werker van onze locatie. Hij vroeg haar zich geen zorgen meer te maken over nieuwe recepten en onderzoeken. Hij gaf haar het telefoonnummer van zijn broer in Spanje, zei dat hij tweeduizend euro had gespaard en vroeg haar dit geld aan zijn broer te overhandigen, zodat hij hem in zijn geboorteland kon laten begraven. Het laatste wat hij vroeg was: “Zult u helpen om mijn as naar huis te sturen?”
Toen hij stierf, belde de maatschappelijk werker zijn broer om hem over het overlijden en de laatste wens van deze eenzame man te informeren.
Het eerste wat de broer vroeg, was: hoeveel geld is er?..