De huisjes op de camping warmen snel op en koelen net zo snel weer af; overdag is het bijna onmogelijk om binnen te blijven. We sproeien het dak met koud water uit de tuinslang, in de hoop het huisje tenminste een beetje af te koelen. Deze hitte put uit. Ze komt zelden en duurt slechts een paar weken, met maar één doel: ervoor te zorgen dat je haar daarna niet meer mist.
Eindelijk gaat de zon onder en breekt de verlossende avond aan. De buren komen naar buiten en het avondlijke sproeien begint. Bloemen, groen, tomaten, de tegels in de tuin — alles wordt natgemaakt, in de hoop de lucht een beetje te verfrissen en onze bloembedden te redden.
Op zulke hete dagen hebben vooral oudere mensen het zwaar. Leeftijd brengt geen extra gezondheid en ook geen extra vreugde. Ik dacht altijd dat ouderen op elkaar leken: ze mopperen vaker, klagen over het weer, de regering en pijnlijke knieën. Dat dacht ik — tot ik een bijzondere oudere vrouw leerde kennen, wiens levensenergie jaloersmakend is. Ze is iets boven de zeventig en woont hier alleen met haar hondje Pirate. Ze heeft haar man en dochter al lang geleden begraven en kwam hierheen met haar kleindochter, die onlangs is getrouwd en naar een andere stad is verhuisd.
De oma fietst fanatiek, houdt van vissen, tuinieren en wandelingen in het bos. In de afgelopen jaren heeft ze meerdere zware en pijnlijke operaties ondergaan, is goed hersteld en leert ijverig Nederlands. Ze mist geen enkele les en maakt trouw al haar oefeningen. De taal valt haar zwaar, maar ze geeft niet op en studeert elke dag. We praten vaak samen over het leven en ze deelt graag haar plannen: “Eerst de taal leren,” zegt ze, “en dan ga ik werk zoeken. Waarom zou ik thuis blijven zitten? Mijn benen doen het weer, mijn ogen zien nog — ik ga werken.” En ze ging werken.
Ze klaagt nooit, is altijd actief, altijd in beweging en altijd met een glimlach. Ik vroeg haar eens: “Hoe redt u het allemaal alleen? Heeft u misschien iets nodig?” Ze antwoordde: “Ik heb alles. Ik heb niets nodig. Alleen… een beetje meer regen.”
Niet ver bij haar vandaan woont nog een oudere vrouw, ongeveer van dezelfde leeftijd. Zij leeft hier met haar man, dochter en kleinzoon. Op haar gezicht ligt altijd een schaduw van verdriet en moedeloosheid. Op een hete dag zitten we samen in de schaduw in gesprek. Ze vertelt hoe ze haar huis en tuin mist en elke dag denkt aan wat er nu van geworden is. Ze wandelt vaak door stille straatjes, bewondert het groen van strak gemaaide gazons, de uitbundig bloeiende hortensia’s, luistert naar de stilte en het gezang van vogels.
Ze verlangt naar afzondering, klaagt vaak over haar gezondheid, over het leven en over het ontbreken van een duidelijk toekomstperspectief. Ze treurt om haar verlaten huis en tuin, die ze met zoveel liefde heeft verzorgd en die nu verwaarloosd zijn. Elke mooie voortuin van een vreemd huis verblijdt haar ogen en verwondt haar tegelijk. Ze kan niet werken — ze heeft de kracht en de gezondheid niet. Ze kan de taal niet leren — daarvoor is ze te oud. Ze kan zich niet verheugen — het is nu geen tijd voor vreugde.
Ik vraag haar: “Misschien kunt u iets proberen te leren wat u nog nooit hebt gedaan? Zou u willen leren tekenen?” Ze zei dat ze niets wil. Alleen… een beetje meer regen…
Ieder mens is een afzonderlijk universum, een wereld op zichzelf. We raken elkaar, hebben contact, kruisen elkaars pad of bewegen parallel, terwijl we de geheimen van elkaars universum leren kennen. Ik dwaal door deze mysterieuze kosmos en zie hoe in dezelfde omstandigheden hele antiwerelden (tegenovergestelde werelden) naast elkaar bestaan.