De slager uit een kleine Turkse winkel is altijd vriendelijk en maakt me, terwijl hij het beste stuk vlees voor me uitkiest, steevast complimenten en verbaast zich erover hoe snel ik Nederlands leer. De kleermaker, een Afghaan, neemt elke opdracht aan en maakt die sneller af dan hij belooft. Als het mij uitkomt om het maandag op te halen, dan is het maandag klaar. De kaasboer kent mijn smaak en raadt me altijd een nieuwe kaas aan die me zeker zal bevallen. Het voelt inmiddels heel vanzelfsprekend om op straat een bekende tegen te komen en even te praten. Ik leef in dit lieve kleine dorp, adem zijn lucht, voel me er deel van — en dat voelt goed.
Maar dit verhaal gaat niet over mensen. De hoofdpersoon is de Nederlandse taal. Ze is geleidelijk ons dagelijks leven binnengekomen en heeft onze moedertaal veranderd. Met buren en vrienden spreken we Russisch of Oekraïens, maar met Nederlandse woorden erdoorheen. Woorden als druk, goed, doei, gezellig, lekker en klaar, zijn vanzelf in onze spraak opgenomen — en gebleven. Eén kort, precies woord zegt soms meer dan een hele uitleg. Praktisch. Heel Nederlands.
Ik schakel steeds minder over op Engels en luister steeds vaker naar Nederlandse liedjes. Ik kan een vraag stellen, maar ik ben nog steeds bang om het antwoord te horen. Ja, ik spreek met een zwaar accent — maar men begrijpt me. Ja, ik heb het B1-examen gehaald — maar dat is te weinig voor studie en kantoorwerk. Ja, ik kan gesprekken voeren met een arts, een leraar, een verkoper, een werkgever — maar mijn taal voelt arm, vol fouten en zwakke plekken. Ze is eenvoudig, eentonig, soms onzeker, en dat frustreert me. Ik voel me beperkt wanneer ik iets wil zeggen en het niet kan. Ik wil het punt bereiken waarop ik gemakkelijk grappen kan maken, vrij kan spreken over elk onderwerp, politiek kan bespreken, accenten en dialecten kan onderscheiden. Nederlands leren is voor mij een spel van niveaus: ik ga vooruit, stap voor stap, en het is nooit genoeg. Ik verwijt mezelf dat ik te weinig studeer, dat ik moe ben, dat mijn ogen snel vermoeid raken en dat het fysiek zwaar is om alles bij te houden. Toch leer ik. Langzaam, met pauzes — maar ik leer.
Kinderen leren de taal veel sneller; ze spreken bijna zonder accent. Voor volwassenen is taal moeilijker, zoals alle veranderingen. Iedereen begrijpt dat de taal nodig is, maar lang niet iedereen is bereid te handelen. Velen schrijven zich in voor cursussen, maar missen lessen en maken hun huiswerk niet. Het gebrek aan vooruitgang wordt meestal op dezelfde manier verklaard: de leraar legt het niet goed uit, het is te moeilijk, te onduidelijk, er is geen tijd, er is geen aanleg. Mensen zoeken oorzaken van hun stilstand overal, behalve in zichzelf — ze zeggen nooit: ik leer niet, omdat ik niet wil. Die innerlijke ontkenning houdt hen tegen. Vooral voor wie goed Engels spreekt is het moeilijk: na vier jaar zijn velen nog niet begonnen met Nederlands leren.
Ik herinner me goed het moment waarop ik mijn angst verloor om Nederlands te spreken. Een collega begon me op het werk te pesten — gewone, alledaagse pesterijen. Hij verbood me Engels te spreken en deed alsof hij me niet begreep. Eerst leek het bijna komisch, alsof hij me op zijn manier wilde helpen de taal te leren. Maar daarna kwamen grofheid en beledigingen. De enige manier om het te stoppen was hem in zijn eigen taal te antwoorden. Ik leerde verschillende vormen van scherpe reacties, oefende uitspraak en intonatie — en koos uiteindelijk voor één korte zin. Toen het moment kwam, antwoordde ik scherp, maar waardig. Wat er daarna gebeurde? Ik kreeg respect. De pesterijen stopten. Toch veranderde ik later van werkplek.
Een crisis brengt nieuwe mogelijkheden en een punt van groei. Sindsdien ben ik niet meer bang om Nederlands te spreken — en ik ken inmiddels ook een paar stevige uitdrukkingen (scheldwoorden).